Digitale vrije vogels

Cultuur op het www: bereikbaar voor iedereen, aan de haal met iedereen?

Juli 2011


Veerle Devreese

Binnen 0,21 seconden wist Google “ongeveer 22.700 resultaten” te verzamelen toen ik mijn naam in het zoekbalkje had ingetikt. De resultaten leidden me naar mijn eigen LinkedIn account, naar Facebook, naar een online galerie waar ik eens werk heb geplaatst en naar veelvuldig dezelfde woorden: “Wij zien jullie graag bij de launch,” die verwijzen naar een launch die ik mede heb georganiseerd. Tot slot was er de grote meerderheid van links die niets met mij van doen hebben. In feite trof ik vooral vele verwijzingen naar verwijzingen aan. Slechts één woord dat aan mij gerelateerd kan worden, verwijst naar tal van andere personen, artikelen en links.
Om maar duidelijk te maken: mijn naam bevindt zich in het archief van het wereldwijde web, maar dat archief wijkt af van het beeld dat ik heb van een archief: een bewaarplaats. Het wereldwijde webarchief bewaart niet alleen; het is volop actief, dynamisch, ontneemt je het besef van tijd en heeft alles behalve een eenduidige “authentieke” vorm.

Dat er sprake is van een elektronische culturele revolutie is ondertussen ruimschoots doorgedrongen en dat dit ingrijpende invloed heeft op cultuur en maatschappij ook. Dat we door het ontstaan van het World Wide Web veel nieuwe mogelijkheden hebben en hierdoor ook digitaal een spoor achterlaten is iets waarbij we minder stil lijken te staan. Het is echter juist het internet dat heel nadrukkelijk alle aanwezigheid archiveert. Wanneer we op YouTube een muziekclip afspelen of op Flickr foto’s bekijken, zoeken wij in archieven. We zijn ons nog maar nauwelijks bewust van deze zoektocht of naar de restanten die we online achterlaten. Met de juiste zoektermen bieden zoekmachines als Google ons immers alle comfort, zodat ons dat besef ontnomen wordt. Binnen no time weet je het World Wide Web te doorspitten en kom je op fragmentarische wijze bij vermoedelijk de gewenste informatie.
Juist dat dynamische karakter van de nieuwe technologische ontwikkelingen en het verdwijnen van de dimensie “tijd” scheppen nieuwe mogelijkheden om kennis – fragmentarisch – van een context te voorzien. Daarbij krijgt de gebruiker niet alleen de mogelijkheid om de informatie op toegankelijke wijze te consumeren, maar ook om hierin te participeren.
Het grootste en oneindige archief bevindt zich namelijk binnen een netwerk dat Web 2.0 wordt genoemd en zich kenmerkt door de participatiecultuur waarin alles oneindig gelinkt; aanklikbaar verwezen, kan worden. Deelnemers dragen bij aan het creëren van nieuwe content en aan de circulatie daarvan. Zoektermen, sleutelwoorden, plaatsbepalingen, ratings en wat anderen online leuk vinden, zijn allemaal aspecten die ertoe bijdragen dat data in een netwerkcontext circuleren. Het is bepalend voor hoe traceerbaar iets is.
Deze participatieve cultuur oefent invloed uit op kunst en cultuur. Wanneer een artefact onderdeel wordt van het netwerk, dan is hieraan de consequentie verbonden dat de centrale controle over het werk verloren gaat. De maker heeft niet langer zeggenschap over waar het object zich begeeft. Wanneer participatie rondom een artefact mogelijk wordt, kunnen deelnemers aan het netwerk hiermee aan de haal gaan. Kunstwerken of andere vormen van cultuuruitingen kunnen uit elkaar gehaald worden, uit hun context verwijderd worden en kunnen worden ingezet voor iets volledig anders. Het kan worden geblogd, geïndexeerd, getwitterd, ge-re-tweet, toegepast, verzameld of zelfs worden gejat. Participatie is een proces waarbij de toeschouwer co-ontwerper wordt en invloed kan uitoefenen op het verhaal. Hierdoor staan begrippen als auteurschap, uniciteit en autonomie, die wij traditioneel aan de kunsten toeschrijven, onder druk. Het is steeds moeilijker om deze begrippen te plaatsen binnen het netwerk. [2]
Maar participanten reageren en bewerken niet enkel andermans uitingen van kunst en cultuur. Internet biedt op laagdrempelige wijze de mogelijkheid aan alle deelnemers om zelf te schrijven of een artefact toe te voegen aan het netwerk. In die zin is het een heel democratisch middel. [3] Je kunt immers niet alleen de archieven van YouTube en Flickr bekijken, maar je kunt er zelf ook content aan toevoegen. Je kunt ervoor kiezen om dit publiekelijk of anoniem te doen. Daarnaast zijn er de sociale media die je de mogelijkheden bieden jezelf te manifesteren: door het verkondigen van jouw mening krijgt je digitale identiteit een publieke karaktertrek. Wanneer je eenmaal deel uitmaakt van het netwerk, begeeft je identiteit zich in feite als een vrije vogel op het internet. Identiteiten zijn net als culturele artefacten vindbaar, consumeerbaar en zelfs te (her)gebruiken door iedereen die toegang heeft tot het netwerk. De verhouding tussen sociaal contact en culturele expressie wordt hierdoor diffuus en ook hierop valt geen centrale controle meer uit te oefenen. [4]

De digitale mogelijkheden geven de ontwikkelingen in de sociale media voortdurend nieuwe impulsen, maar brengen tevens complicaties met zich mee die nog niet zijn uitgekristalliseerd. Het leidt tot een nieuwe vorm van sporen waarvan het tijdsbesef verloren lijkt te zijn gegaan doordat zij voortdurend heropgegraven kunnen worden en zo weer onder de aandacht worden gebracht. Kevin Kelly, hoofdredacteur en oprichter van het tijdschrift Wired, waarin digitale culturele trends worden gevolgd, typeert dit als volgt: “In, out, in, out, copy, move, copy, move.” Het digitaal archiveren van kunst en cultuur is een studie op zich. Wanneer je denkt aan de wijze waarop jouw naam zich op het internet kan verspreiden en zich kan “linken” aan zaken waar jij indirect – klaarblijkelijk – mee verbonden bent, dan wordt duidelijk dat de digitale identiteitsvorming waar wij zowel vrijwillig als onbewust aan meewerken, stof voor vraagtekens biedt. Het vormt een aanleiding voor nieuwe vragen die van belang zijn voor de culturele en maatschappelijke context en het zet tevens aan tot het maken van nieuwe kunstwerken die deze vraagtekens uiten.

Twee voorbeelden van Nederlandse bodem:
Mediamatic – een instituut dat workshops, exposities en presentaties organiseert om gezamenlijk na te denken over nieuwe mediatrends en ontwikkelingen – organiseerde in 2009 een aantal tentoonstellingen rondom de zelfpresentatie op internet. IK R.I.P. was een expositie gewijd aan dit onderwerp en aan de dood. Bezoekers werden door o.a. een serie digitale doodsportretten – denk aan Facebook – van Elizabeth Heyert, proefliggen in een doodskist en door het spelen van het computerspel The Graveyard, geprikkeld om na te denken over vragen wat er met jouw online profiel gebeurt wanneer je komt te overlijden. “Rust jij straks in vrede of gaat jouw identiteit een geheel eigen leven leiden?” leek het motto van de tentoonstelling.
Het medialab MODDR van kunstorganisatie WORM stelde zichzelf ook dergelijke vragen. Want wat doet een netwerksite als Facebook met gebruikersinformatie zoals wie elkaars kennissen zijn en wie wat leest, bekijkt, koopt en bezoekt? Die informatie wordt opgeslagen, maar met welk doel en voor wie? En wanneer je genoeg hebt van jouw imago, alter ego of identiteit online, wat dan? Het is nog steeds moeilijk om je gegevens te verwijderen van een vriendennetwerksite, want dat een netwerkprofiel niet meer toegankelijk is, betekent niet dat je gegevens gewist zijn. De eerder genoemde zoekmachines blijven dergelijke gegevens bewaren.
Met dergelijke vragen in het achterhoofd ontwikkelde MODDR Web 2.0 Suicide Machine. Wie genoeg had van zijn online alter ego’s kon de Suicide Machine inschakelen om er digitaal een einde aan te maken. De werkwijze om tot digitale zelfmoord te komen was eenvoudig: met enkel het invullen van een gebruikersnaam en wachtwoord verdwenen je gegevens van Hyves, Facebook, Twitter en LinkedIn. Honderden mensen meldden zich aan. Deze “doden” zijn te zien op herdenkingspagina’s. Repo Man (Jos Wiersma) pleegde Web 2.0-zelfmoord op: 31-12-2009 om 11:05:17; verloren vrienden: 2572; laatste woorden: “het was leuk zolang het duurde, exit.”
De Suicide Machine was daarmee een ludiek kunstproject dat internationaal aandacht kreeg. Facebook was niet blij, blokkeerde de machine en droeg het medialab via juridische wegen op hun activiteit te staken en het project eindigde met een – hoe kan het anders – digitale zelfmoord.
Web 2.0 Suicide Machine kreeg deze aandacht omdat het de vinger op de zere plek legde. Web 2.0 leidt tot vele nieuwe mogelijkheden rondom het creëren, verspreiden en verzamelen van content, wat op zijn beurt vraagtekens oproept over de betekenis hiervan binnen cultuur en maatschappij. Heel veel vragen zijn nog niet duidelijk te formuleren, laat staan te beantwoorden. Kunstprojecten als Suicide Machine stellen de gevolgen van de voortgaande digitale ontwikkelingen op ludieke wijze aan de kaak en laten je nadenken over niet alleen de betekenis van jouw digitale identiteit, maar ook het “spoor” dat je achterlaat.
Een kunstproject als Web 2.0 Suicide Machine is daarmee een voorbeeld van digitale cultuur dat laat zien dat de digitale ontwikkelingen nieuwe mogelijkheden met zich meebrengen voor het creëren van kunstprojecten. Daarbij draait het niet langer om het zijn van een primaire schepper maar staan de participanten centraal in het realiseren van nieuwe culturele artefacten. Het is daarbij de taak van de kunstenaar om de participanten te sturen, faciliteren en regisseren via goed uitgedachte culturele processen. Dit kan aanleiding zijn voor vernieuwende kunstprojecten die een kritisch debat kunnen ondersteunen. Daarnaast kunnen kunstprojecten met een dergelijke insteek tot betekenisvolle inzichten leiden bij vraagstukken die de digitale revolutie met zich mee brengt. Een revolutie waar we nog middenin staan. [S]

Biografie:

Veerle Devreese is student Media & Cultuur die deze lente haar bachelor afrondt met een onderzoek naar de wijze waarop citymarketing invloed kan uitoefenen op de vorming van de identiteit van een stedelijke samenleving. Volgend studiejaar begint zij aan de master Kunstbeleid en Management aan de Universiteit Utrecht. Naast haar studie is ze werkzaam als programmamedewerker bij Virtueel Platform, sectorinstituut e-cultuur en is ze als vrijwilliger betrokken bij NIMk, het Nederlands Instituut voor Mediakunst.

Noten:
  1. Kuitenbrouwer, Klaas. [..] Best Practice. Virtueel Platform, 2011: 63.
  2. Ibidem.
  3. Jenkins, Henri. Convergence Culture. New York: New York University Press, 2006: 92.
  4. Heijne, Bas. “Cultuur en Media in 2015.” Ministerie van OCW, Boekmanstichting, Amsterdam 2009: 11.
  5. Kelly, Kevin, Annet Dekker (citaat) Best Practice. Virtueel Platform, 2011: 86.
  6. Kuitenbrouwer, 2011: 61.